Fietsend vanaf Posto Palmares waren het palmolieplantages die de klok sloegen. Kílometers lang. Vrachtwagens met de vruchten en tankwagens met palmolie rijden hier af en aan. Daar vinden we natuurlijk wat van maar ik snap het ook wel weer goed. Het is een gigantisch land, ideaal klimaat, de vraag (door ons) naar palmolie is groot. De ruimte hier is onbevattelijk groot. Daarnaast zijn de palmbomen goeie Carbon Capturers. De vruchten groeien in de oksels van de bladeren. De noten zitten weer dáárin.

Hele dorpen voor de medewerkers van de palmolieplantages
Ik trapte ’s goed op zo’n noot (of pit). Het is inderdaad een vettig ding (gelukkig maar..). Ook sterk gekleurd, een soort oranje. Hij rook naar niets bijzonders.
Ik fietste verder over de nationale weg (PA-150 / 475), maar dat zou je soms niet zeggen, dat het een nationale weg is. Op veel plekken heeft-ie de breedte van een provinciale weg bij ons en is de kwaliteit vér onder de maat met gaten en soms diepe sporen.

Soms zijn de gaten gerepareerd. Meestal niet. De vrachtwagens moeten vaak stapvoets erdoorheen.
Na de palmolieplantages was het landschap soms aardig, vaak lelijk met onbeduidende struikjes, electriciteitsmasten en ook veel zwerfafval. Het terrein is zo’n paar honderd meter rond de doorlopende weg gecultiveerd: de jungle is er weggehakt.
De dorpjes aan de weg zijn eigenlijk bijna zonder uitzondering niet om aan te zien. Ze zijn ook vaak heel jong: 30 jaar of zo. Het is meestal een bij elkaar geraapt zootje met borracharia’s (garages) met het sloopafval, oude banden, motoren en versnellingsbakken ernaast, onafgebouwde huisjes, winkeltjes met grove handgeschilderde letters, elektriciteitsdraden her en der, afval en onafzichtelijke kleine kerkjes (volgens mijn zwager, die er verstand van heeft, zijn het pinkstergemeentekerkjes). De straten zijn vaak slecht of niet verhard. Rommelig! Wèl met blije en plezierige mensen, maar dat had ik al eens geschreven.

Zó dus..
Onderweg kom je ‘motels’ tegen. In al mijn naïviteit dacht ik dat ik daar wel kon slapen. Ik weet nu beter: de dure tijd in een motel kan beter gebruikt worden. In het Roomse Brazilië worden buitenechtelijke lusten botgevierd in dit soort gelegenheden. Je rijdt aan één kant met je auto erin (‘entrada’), krijgt een garagebox toegewezen uit het rijtje, rijdt erin en doet het gordijn dicht. Vervolgens doe je wat je wilt of moet doen. Via de ‘saída’ rijd je er weer content uit.. Je betaalt per uur (exclusief de dienst dan). Een soort afwerkplek dus. Wèl goed gemanaged: er loopt iemand rond, er is iets van toezicht en het wordt netjes gehouden. Ik weet niet of prostitutie ook op deze manier plaatsvindt, dat ga ik nog ’s haarfijn uitzoeken in motels fase 2. Ik vermoed van wel trouwens.
Ik kwam door Tailândia, een stadje dat het aanzien heeft van een klein Amerikaanse stadje met veel nering langs de doorgaande weg, óm de paar honderd meter een tankstation met bijbehorende restaurantjes. Ik ben doorgefietst, wetende dat het voorlopig over zou zijn met de iets grotere plaatsen en de pousada’s. Na 85km vond ik het welletjes en stopte ik bij een café / supermarkt in Villa Nazaré.

Was hier maar gaan zitten om uiteindelijk te vragen naar een slaapplek
De jongen van het café vroeg even rond na mijn vraag over overnachten, stapte op zijn brommer, wenkte me om achter ‘m aan te rijden en zo kwam ik in een soort bijgebouwtje van (bleek) zijn grootouders. Het had nog een douche en toilet ook! Dus daar zat ik, fris gedoucht, in schone kleren want had gisteren een handwasje gedaan, in mijn stoeltje op ‘mijn’ veranda, want daar ging ik slapen. Ik voel me dan als een koning te rijk.. Weer een voorbeeld van de gastvrijheid hier.

Mijn slaapplek op de veranda
Ze hadden echter, bleek, een haan. Nou dacht ik dat hanen hoofdzakelijk ’s ochtends kraaiden. Deze niet. Die deed het op ongezette tijden ’s nachts. Een buurhaan verderop hitste ‘m op. Kutbeesten!
29 okt 2019: ’s ochtends kreeg ik een kannetje (mierzoete) koffie. De vrouw des huizes (de oma vd caféhouder) moest erg lachen om mijn stoeltje. Ik nodigde haar uit, moedigde haar aan om even te gaan zitten. Ze gilde het uit van het lachen, ging bíjna zitten maar nee, toch maar niet.
Onderweg kwam ik een blije man langs de weg tegen die een gordeldier had gevangen.

Een man had een ‘tatu’ gevangen, een gordeldier, om lekker op te peuzelen.
Mijn ontbijt at ik verderop langs de weg: café da manhã. Ik kreeg een gebakken eitje met cake leek het wel. Het was gemaakt van maïs, en – hoe zal ik het zeggen – NIET TE VRETEN (en dat is bij mij niet snel)! Gemixt met ei ging het nog wel enigszins. Ik had de calorieën nodig. Ze noemen het ‘couscous’ (is het niet natuurlijk..).

Kannetje mierzoete koffie, ei en een maiscakeje 😖
Bij de politiepost een stuk verder sta ik even stil en krijg én een fles ijs én suco aangeboden. De agenten die er indrukwekkend uitzien waren geïnteresseerd in mijn fiets en plannen. Ze vergaten van de weeromstuit te controleren, éérst selfies en foto’s maken!

Ze deden wel stoer maar waren erg aardig

Wel leuk, zo’n fietser voor de afwisseling
Ik fietste trouwens als een locomotief. Rond lunchtijd (12:30) had ik 80km gefietst. Dat heb je als je om 7:00 op de fiets zit. Als tussendoortje eet ik regelmatig mango of manga zoals ze de vrucht hier noemen. Ze vallen hier gewoon uit de boom! Het is een iets andere soort dan hoe ik ‘m van thuis ken. De vrucht is ‘draderiger’, met meer vezels. Je moet ‘m dan ook niet afhappen want die draden gaan afgrijselijk tussen je tanden zitten, alsof je haar op je tanden hebt dat er met geen mogelijkheid meer tussenuit te krijgen valt anders dan draad voor draad met twee vingers ertussenuit te trekken (tandenstokers helpen onvoldoende). Stukjes van de mango afsnijden dus met mijn zakmes, met als nadeel dat je kleffe, plakkerige handen krijgt van het schillen en vasthouden van de vrucht die makkelijk, tjoep, uit je handen floept zo glibberig. Ik kan wel zeiken, hè?

Mangoboom, gewoon zo aan de weg. De mango’s liggen onder de boom weg te rotten. Heel soms zie je een stapeltje gemaakt.

Ik stond even aan de kant van de weg te navigeren toen er een auto voor me naast de weg parkeerde en er een man zéér energiek met uitgestoken hand op me afkwam. Hij was o presidente van de CPA fietsclub. Als een razende reporter begon ie een filmpje te schieten, om mij en mijn fiets heen lopend en mij vragen stellend; een soort live interview. Foto’s werden ook gemaakt en meteen het internet opgemieterd. Ze zijn daar ietsje losser in hier dan bij ons. ’t Is gebruikelijker, ook voor minder jeugdigen (waar ik mezelf gemakshalve maar even toe reken), dan bij ons om zo intensief en ter plekke de social media te gebruiken. Ze lijken er ook handiger, sneller in. In een restaurant geef ik bv mijn telefoon standaard aan een bediende die – ongeacht de telefoon die hij / zij zelf heeft – meteen floepfloep me verbindt met de WiFi.

De voorzitter van ‘CPA’ (Clube do Pedal Amador) in actie bij het maken van een kleine impressie

Selfie mocht niet ontbreken
O presidente gaf me een hand, liep weg, pakte nog een zakje cashewnootjes uit de auto dat ie me gaf, gaf me weer een hand en stoof weg. Hij had z’n shoot gehad vandaag. Toch leuk!

Ligt het nou aan mij, of kijken alle koeien mijn kant op?
Ik was gestopt in Goianésia do Pará. Mijn keuze was gevallen op hotel Fortaleza. Ik val nog steeds steil achterover van de kamerprijzen. Geen 4-sterrenhotel maar wél eigen badkamer, ontbijt en WiFi voor nog geen € 7,-. Zo te zien geen bedwantsen!
Morgen richting Jacundá, daarna richting Marabá.
Ik had van Otaciano – de Braziliaan die ik op de veeepont uit Belèm leerde kennen – via WhatsApp tips gekregen. Ik ga mijn route na Marabá wijzigen. Via de BR-230 (de ‘Transamazonica’ – een weg die de Amazone ontsluit, aangelegd in de 70-er jaren, die me ook mateloos intrigeert) ga ik naar de plaats Carolina om de watervallen van Pedra Caída te bekijken. Ik loop vóór op mijn schema, dus de slight detour van 175km kan ik me wel permitteren. Zal ook wel iets meer moeten klimmen maar dat is goed voor de kuiten..













































































