20 – 23 mei 2023: We krijgen regelmatig te horen dat we zo snel gaan, maar hebben het idee dat we alle tijd hebben en nemen. ‘s Morgens rustig opstarten. Regelmatig pauzeren om iets te snaaien, koffie te drinken. Plekken die genoemd worden in ons boekje te bekijken. Het reizen en steeds weer van omgeving veranderen is het leukste element. Gelukkig maar..
We vertrekken wederom met heel mooi weer, nauwelijks een wolkje, nagenoeg geen wind. Het condens op de tent is snel verdwenen. Heerlijk om met mooi, droog weer de spullen op te bergen.
In Simontornya is er een oploop. We nemen poolshoogte, maar krijgen geen hoogte. Nan vraagt iets aan een dame. Ze zegt: “castle” en wijst naar de ruïne. Vervolgens zegt ze “day”. We concluderen dat het vandaag kastelendag moet zijn. De lokale amateurvereniging staat letterlijk in het zonnetje en geeft, gehuld in middeleeuwse dracht, een voorstelling. Het is een drukte van belang.




Het is een dag om heerlijk te toeren. Zonovergoten, licht briesje, leuk landschap.


In Sárszentlörinc denken we een supermarktje te bezoeken. We komen aanrijden, ons hardop afvragend “is ie open?”. Een vrouw die op het stoepje zit zegt in het Nederlands “Nee, is niet open”. We stoppen verbaasd en ze vertelt dat alles dicht is vanwege het “apenpokkenviroes”. Hmm.. We proberen haar te peilen en een gesprek te beginnen, en al gauw zegt ze: “Alles dicht. Nederlanders hè? Rot maar op!”, terwijl ze naar beneden kijkt en een wegwuifgebaar maakt. “Rij maar door, rot maar op!” zegt ze nog een keer. We knipperen met onze ogen, en laten indalen wat ze net zei. Nan vraagt “Woon je hier?”. Ze antwoordt “Waarom allemaal vragen? Zoveel vragen?”. Daarna volgt er nog een “kutnederlanders” en dan stappen we maar weer ‘s op. Geen zinnig woord uit te krijgen. Ze is mager, heeft een doorrookt gebit, spreekt goed Nederlands maar wel met een accent. Een Hongaarse die lang in NL gewoond heeft en, misschien gedesillusioneerd, weer teruggekeerd? Teleurgesteld? Uitgezet? Gefrustreerd? Psychiatrisch? Misschien allemaal. Het is in ieder geval een surrealistische ervaring, om in zo’n klein dorpje een Nederlands-sprekende tegen het lijf te lopen die je dan ook nog uitkaffert.
We gaan op zoek naar een onderkomen. Geen campings in de buurt. We stoppen bij een huis met een bord in de tuin: ‘Panzio’. Laat dat nou pension betekenen. We lopen de tuin in. Er is een man met een tractor bezig de waterput te vullen (blijkt later). We proberen wat te communiceren, maar het wordt niks. De app moet eraan te pas komen. Ik vraag de man langzaam te spreken, overhandig hem de telefoon. Hij spreekt in de telefoon maar kijkt niet naar de Hongaarse tekst die verschijnt in het scherm als ie spreekt. Hij blijft ons aankijken. Kan ie wel lezen? De app vertaalt het braaf. En zowaar kunnen we wat communiceren. De man spreekt lispelend, want mist grote delen van zijn gebit. Hij blijkt de waterbevoorrader te zijn voor de ‘disco’ en de ‘stieren’. Waarschijnlijk is door zijn uitspraak eea lost in translation.


We rijden tegen een geweldige tent aan: een gezellig terras bij een restaurant (we hebben al een paar dagen niet meer ‘gewoon’ gegeten) en een bijbehorend hotel. Heerlijk! Warm bordje eten (met een biertje erbij), ‘s avonds.
Bij het hotel hebben we ook weer ‘s een ontbijt.

We nemen ons de volgende dag voor om er een half dagje van te maken. Een kleine 50km verder is een camping. Eitje!
In Szekszárd lopen we Sven-Olov tegen het lijf, een Noorse pensionado. Hij fietst naar Antalya. Op z’n fietsframe zit een sticker ‘Nordkapp’ maar hij geeft eerlijk toe dat ie pas in Denemarken is begonnen met fietsen.

Het is weer heerlijk rustig zomerweer. We peddelen Szekszárd uit, rijden door een klein industrieterreintje en dan begint de ellende: we komen op een modderig pad. Zó modderig, dat de wielen vastlopen. De modder plakt vast en hoopt zich op tussen de banden en spatborden. Met een stokje poeren we de kluiten eruit. Een paar tientallen meters verder herhaalt dat zich. We schieten niet op. Waar het kan fietsen we, door schade en schande wijzer geworden, door het hoge gras dat wél soms onder water blijkt te staan.

We schrikken ons te pletter als we, de berm doorploeterend, opeens een schriel piepgeluid horen uit de berm. Wat is dat? Oh nee, we hebben toch geen schuilend dier overreden? We kijken nog ‘s goed en daar staat een heel jong reetje in het hoge gras, piepend om z’n moeder. Het maakt het geluid van een badeendje waar je in knijpt. Het is een aandoenlijk gezicht en gehoor. Het jonge reetje laat zich zelfs over z’n koppie aaien, zo bleu en argeloos.
Over het stuk van 2,5km doen we 5 kwartier. Het schiet niet op! En als we door het ellendige stuk zijn, lopen de fietsen aan alle kanten aan. De modderstukjes vliegen ons om de oren door de middelpuntvliedende kracht naarmate we sneller fietsen.
In Öcsény zitten we een ijsje te eten bij wijze van moddertroost. Twee jongemannen komen aan het tafeltje naast ons zitten. Ze praten Arabisch. We vragen wat ze spreken en ze bevestigen dat het Arabisch is en vertellen dat ze Marokkaans zijn. Het zijn piloten die een instructeurscursus krijgen. In Hongarije, want dat was de goedkoopste optie. Wat een wereld hè?
Iets buiten Öcsény is een carwash en Nan komt op het lumineuze idee de fietsen af te spuiten. Dat helpt! Fietsgoeroe’s zullen zeggen dat dat allemaal niet kan omdat je vuil in de lagers spuit, maar de wens om de prut eruit te spuiten is groter.
In Bata blijkt er (op zondag) een tentje open te zijn. We kiezen uit de rijk gevulde koelkast bijna willekeurig twee vrolijk gekleurde flesjes. Nan blijkt cider (5% alcohol) gekozen te hebben. Ik offer me op en we ruilen. Nan gaat voor mijn flauwe perendrankje. Verderop moeten we het laatste heuveltje van de dag op: het is maar 50m hoog, maar wel met 10%. Met 2,5% alcohol in één en de rest in het andere been kom ik boven. Nan doet het op de perensap.
De dag loopt anders: de camping die we in ons hoofd hadden blijkt al 10 jaar gesloten. Overwoekerd met onkruid, met een verroest toegangshek en vervaagde bordjes. Een Gasthaus op steenworp afstand is weinig aanlokkelijk maar een goed alternatief. We hadden eerder wat klein eetwerk op de kop getikt. We will survive!
De zwaluwen op ons terras halen acrobatische toeren uit, ze vliegen elkaar achterna terwijl ze slalommen tussen de staanders van de pergola. Vliegkunst, prachtig om naar te kijken.


De volgende dag kunnen we óf naar Kroatië of naar Servië. We besluiten om naar Servië te gaan, de route valt samen met een stuk EuroVelo 6 en dan weten we zeker dat de wegen befietsbaar zijn. De grens rond de Donau tussen Kroatië en Servië is een soepzooitje. Een aantal gebieden is al jaren betwist. Ze zijn er nog steeds niet uit.
We zitten, net voor de Servische grens in Hongarije, een drankje voor een cafeetje te drinken. Er komt een Hongaar op ons af. Hij spreekt gebrekkig Duits, doet zijn hand in zijn rug en kreunt dat ie dat niet meer kan, fietsen. Hij noemt zich een Donau-Schwab, oorspronkelijk uit Thüringen, Duitsland. Hij (we kennen zijn naam niet) heeft vroeger drie jaar in Dresden gewoond en gewerkt. Hij blijkt 68 jaar oud te zijn, is drie keer getrouwd geweest (niet succesvol) en zorgt nu alleen nog voor z’n 88-jarige moeder, dat beviel ‘m beter. Er komt wel thuishulp! Het is een grappenmaker, kijkt pienter uit zijn ogen en had nog één tand die we konden zien. Wel thuishulp, geen mondzorg. Grappig, zo’n praatje.
We naderen overduidelijk de EU-grens:

Hoe ging dat ook weer? Grenspost Hongarije (EU), controle paspoorten, grenspost Servië, controle paspoorten, stempels.
Dat geeft toch wel een beetje een ‘exotisch’ gevoel: Servië! Meteen merken we dat het niveau Engels duidelijk (veel) hoger ligt dan in Hongarije. Gek hè? De Serven lijken ook iets extraverter, uitbundiger te zijn. Misschien heeft het met de terughoudendheid van de Hongaren te maken.
We strijken neer in Sombor, een leuke middelgrote stad. Even rondgelopen in het leuke centrum en een SIMetje gehaald, want tja, geen EU-roaming hè?


De volgende dag fietsen we langs de Donau en verbazen ons hoe hoog het water staat. De uiterwaarden zijn volledig overstroomd. Normaal zijn dat een soort bosjes langs de rivieroever.
We komen langzamerhand in Orthodox-Christelijk gebied.
Bij Bogojevo zou een camping zijn. We hebben wel zin in een overnachting in de buitenlucht, het is warm. Veel campings zijn nog dicht. We komen door het plaatsje Bogojevo waar rijen en rijen Servische vrachtwagens voor de grens met Kroatië (EU) wachten. Ze staan al tijden stil. Wat een ellende. Hoe lang zal dat wel niet duren?
Verderop zou iets van een camping moeten zijn. De omschrijving is ‘Autokamp Strand Bogojevo’. Klinkt goed, toch? De bewegwijzering is matig, maar we vinden het. Als we aan komen rijden lijkt het een zigeunerkamp met hier en daar een oorlogsrestant. Er zit een man achter een tafeltje aardbeitjes te wassen en biedt ons er een aan. Heerlijk hoor, heel aardig, maar heeft u ook een kampeerplek voor ons? Alle vertaalmogelijkheden, handen en ook voeten ten spijt, het wordt niet duidelijk. De man knikt ja, gaat bellen, loopt weg. We spreken een andere man. Ook hij munt niet uit in duidelijkheid. Een derde mengt zich en zegt overal ‘da’ op. We gaan maar onder de overkapping zitten. Meestal wordt het na verloop van tijd wel duidelijk hoe of wat. En ja hoor, even later komt er een jongeman die ons helpt. We kunnen ‘overal’ staan.



Ik was me met bioshampoo in het vennetje. De visjes zwemmen om me heen. Twee Servische jongetjes proberen hun Engels. Milan is 12, z’n broertje 10. Ze dóen het tenminste.
Vanavond mogen we vis komen eten onder de overkapping in het ‘restaurant’. Reuzebenieuwd!



