16-19 mei 2023: De fietsdag naar Budapest begint relatief goed. We hebben gerekend op een volle, vette regendag. Alles minder dan dat is een meevaller. En zowaar, het blijft bij aanvang bescheiden spetteren. Meevaller.
We verlaten Stúrovo en gaan de Donau weer over naar Esztergom in Hongarije.
De Sultan’s Trail (die wij volgen) vervolgt z’n weg na Esztergom via Pilisszentelék, een flinke hobbel van eerst 8% en het laatste stuk 12%. Met de regen, de afwezigheid van uitzicht boven en de beloning van de afdaling die met een kletsnatte weg weinig voorstelt, zetten we een route uit óm de berg (Budai Tájvédelmi Körzet) ipv eróver. Dat blijkt een goed besluit.
We komen door kleine dorpjes met piepkleine straatjes. Honden, soms hele grote zoals de Anatolische berghond (de kangal), blaffen vervaarlijk. Maar ze staan allemaal veilig achter een hek. Tot nu toe worden we niet belaagd door jagende, loslopende honden. We verwachten dat dat in Kroatië, Servië en Bulgarije wel anders zal zijn. Maar we zijn voorbereid!
Hier en daar staan nog borden met oud-Hongaars (rovás, wordt het genoemd)
Dat bescheiden spetteren waar de reis mee begon gaat over in onbescheiden regen. We zijn er inmiddels aan gewend en goed ingepakt. We komen door Visegrád. Visegrád? Dat komt bekend voor!

We naderen Budapest – de regen was inmiddels weer minder hard – en gokken het aantal inwoners (het blijken er 1,7 miljoen te zijn). Het is een uitgestrekte stad. We fietsen een behoorlijk stuk door voorsteden. Aan de andere kant van de Donau (Pest) begint het serieuzere stadswerk. De fietspaden zijn best goed aangegeven. Een hobbeltje hier en daar meer misschien dan we gewend zijn.
De volgende dag hebben we een dagkaart voor het OV gekocht. Metro, tram en bus, het kan allemaal. Een deel van het metrosysteem in Budapest is uitermate modern (niveautje Noord-Zuidlijn in Ams), een ander deel niet. We bestuderen de kaartautomaat, weten een dagkaart te selecteren en betalen – zoals we bijna alles betalen – met onze telefoon. Hatseflats! Die dagkaart is een goeie keuze want we gebruiken twee keer de tram en twee keer zijn we gecontroleerd.
Bij de tweede controle in de tram stapt er een wat morsige man in. Eenmaal binnen komt de aap uitende mouw, of eigenlijk: de band uit de hand. Ze dragen een band om hun arm met iets van ‘controleur’ erop. Deze had ‘m dus in zijn hand gehouden tot ín de tram. Ja, we maken wat mee!
Het appartement blijkt in een, van buiten, onaantrekkelijk blok te staan. Verrassend is dan dat het binnen prima toeven is: ruim, comfortabel en van gemakken voorzien (zelfs een wasmachine waar Nan een huppeltje van blijdschap om maakt).
Budapest wordt ook wel Parijs aan de Donau genoemd. Begrijpelijk. De stad heeft dezelfde uitstraling met brede boulevards, statige huizenblokken met rijkelijk versierde façades, Franse balkonnetjes, veel bomen in de straten en sierlijke elementen als smeedijzeren straatlantaarns en mooie bankjes. De panden zijn soms zwaar verouderd, maar er wordt veel gerenoveerd.




Aan de Boedakant – zou er sprake zijn van concurrentie met de Pestkant? – beklimmen we de Citadel die voor renovatie blijkt te zijn afgesloten. Maar het uitzicht op het parlement vanaf de berg is er niet minder om.


Het paleis op de Boedaburcht wordt ook gerenoveerd. Het paleis is enórm.

Budapest uit gaat best goed. Het miezert. We fietsen aan de westzijde van de Donau. Veel industrie aan de randen van Budapest.
Rond 11.00 zoeken we wat te snaaien. Iets koekerigs, liefst met koffie erbij. In een niet te onthouden voorstad van Boedapest (voor wie het toch wil proberen: Nagytetény) vinden we een tentje. Naast koekerige dingen frituren ze er flink op los: kippenvleugeltjes, schitzeltjes, kip-nuggets, allemaal mooi uitgestald in hun vet in een glazen vitrine. Het ziet er aantrekkelijk uit en ik – Nan niet – ga overstag en bestel er een ‘ding’ bij, een gefrituurd gedrocht. Het blijkt lever te zijn.. Niet m’n voorkeur maar gelukkig wordt de smaak bepaald door de gefrituurde krokante laag – whatever it is.
We fietsen langs een enórme raffinaderij. Om de Russische olie te verwerken natuurlijk.
De lunch – het eten en drinken (zeker als het miezert) wordt erg belangrijk – vinden we in de buurt van de raffinaderij in een ‘pannenkoekhuis’, maar dan zonder pannenkoeken. Een soort jagershut, met rood-wit geblokte kleedjes op tafel. De jonge Hongaarse man die ons verwelkomt spreekt uitstekend Engels. Dat hebben we nog niet eerder meegemaakt, zo ‘in het wild’, een Hongaar waar we mee kunnen babbelen. Hij vindt het leuk, was net in Amsterdam geweest (gaf eerlijk toe dat ie in Ams was om te party’en) en vertelde wat over z’n studie, het lage loon straks, de onmogelijkheid om een huis te kopen, het gebrek aan perspectief. Het buitenland lonkte. Zo gaan die dingen dus.
Weer een memorabel moment, we hebben de 2000km-grens gehaald! We ‘vieren’ het met een broodje pindakaas en een slok water – ja, leer ons een feestje vieren.
In Érd is een plein vernoemd naar Ernö Rubik.

We boeken een onderkomen in Sukoró. Waar we al eerder de mist mee zijn ingegaan, doen we dat nu weer: het blijkt op hoogte te zijn. De laatste paar km’s ploeteren we omhoog.
De volgende dag is het stra-lend weer! Zoals beloofd. En we zijn er blij mee. Het geeft alles een heel ander aanzien. Mensen tonen zich weer, maaien het gras, wandelen op straat, komen uit hun holen. Het is zelfs warm (ja, warm). Op straat stellen mensen ons vragen, als ze ons zien. Meestal iets waar we het woord ‘Balaton’ uit kunnen destilleren, een aanknopingspunt om ‘Istanbul’ te zeggen. Een oudere dame slaakte ‘Jesu Maria’ en sloeg een kruisje.
We bezoeken Székesfehérvár, volgens ons reisboek een must see-stad. Het is de oudste stad van Hongarije. In Hongarije is de rode draad: overheersing door de Habsburgers of door de Turken; het ligt op een scheidslijn. Beide periodes komen naar voren (en barokke gebouwen, en restanten van Turkse hamams en moskeeën).


Het landschap is hier vlak, hooguit licht glooiend. Het betere weer maakt dat we de omgeving veel meer waarderen.

Op weg naar onze ‘kemping’ (zoals de Hongaren het noemen – de leenwoorden zijn makkelijk te herkennen) komen we door klein dorpjes. Het ene is niet van het andere te onderscheiden. We slaan in een Supertje nog wat boodschappen in. Er is geen 4G in het dorpje, de kruidenier spreekt alleen Hongaars, en voor het eerst moeten we echt aan de slag. In het winkeltje wordt de duvel en z’n ouwe moet verkocht: etenswaren, maar ook plantenzaden, remblokjes en konijnenvoer. Om te voorkomen dat we vissenvoer eten vanavond vragen we om opheldering. De bijzonder aardige kruidenier belt uiteindelijk zijn dochter die voor een Amerikaans bedrijf werkt. We hadden het zonder ook gered hoor! Maar we eten geen vissenvoer vanavond. Hoewel, we staan op een ‘kemping’ die vlakbij een sportvisvijver ligt, het zou wel handig zijn geweest.

Nog 150km tot de Kroatische grens. De weerapps geven allemaal mooi weer aan. Wat een feest!







